Nu we weten hoe je de persoonsvorm schrijft in de tegenwoordige tijd, gaan we kijken naar de verleden tijd. Zoals gezegd staat een zin in de verleden tijd, als deze zich in het verleden afspeelt.
Bijvoorbeeld: Ik gooide de bal.
Als je kijkt naar de verleden tijd, heb je twee soorten werkwoorden: werkwoorden waarvan de klank in de verleden tijd hetzelfde is als in de tegenwoordige tijd en werkwoorden waarbij dit niet het geval is.
Bijvoorbeeld:
Ik gooi de bal. = tegenwoordige tijd
Ik gooide de bal. = verleden tijd; de klank is gelijk gebleven
Ik loop op straat = tegenwoordige tijd
Ik liep op straat = verleden tijd; de klank is veranderd
Werkwoorden waarvan de klank verandert in de verleden tijd, noemen we sterke werkwoorden. Werkwoorden waarvan de klank gelijk blijft in de verleden tijd, noemen we zwakke werkwoorden.
Hoe kan je onthouden wat zwak en sterk is? Kijk dan naar jezelf: als je iets wilt veranderen (je wilt bijvoorbeeld afvallen, stoppen met roken, vaker sporten) dan kost dat moeite. Je moet dan sterk zijn om door te zetten.
Het kost geen moeite om iets hetzelfde te laten blijven. Dan kan je dus zwak zijn.
We zagen dat een werkwoord in de tegenwoordige tijd drie vormen heeft. In de verleden tijd hebben alle werkwoorden twee vormen: een vorm voor het enkelvoud en een vorm voor het meervoud.
Bijvoorbeeld:
enkelvoud (ik, jij, u, hij, zij, het) gooide, liep
meervoud (wij, jullie, zij) gooiden, liepen
Voor de spelling van sterke werkwoorden in de verleden tijd zijn geen specifieke regels te geven. De juiste vorm moet je weten of leren (bijvoorbeeld: hebben - hadden, weten - wisten). Als je de juiste vorm hebt gevonden, dan zijn de gewone spellingsregels van toepassing. Als regel kan je wel onthouden:
Je schrijft altijd een n aan het eind van een persoonsvorm in het meervoud.
woensdag 10 december 2008
woensdag 3 december 2008
Werkwoordspelling 2 - De persoonsvorm in de tegenwoordige tijd
In het vorige hoofdstuk heb ik laten zien hoe je de persoonsvorm vindt in de zin: als je de zin vragend maakt, komt de persoonsvorm op de eerste plaats te staan.
De volgende stap is om te kijken in welke tijd de zin staat. Dit heeft namelijk gevolgen voor de spelling van de persoonsvorm. In eerste instantie zullen we ons concentreren op twee mogelijkheden: tegenwoordige tijd (=t.t.) en verleden tijd (=v.t.).
Als een zin in de tegenwoordige tijd staat, betekent het dat het zich nu afspeelt. Als een zin in de verleden tijd staat, betekent het dat het zich in het verleden afspeelde. Bijv:
Ik gooi de bal. = nu
Ik gooide de bal. = in het verleden.
Meestal is de tijd van de zin wel duidelijk. Als je het niet direct ziet, kijk dan of je het woord gisteren of vandaag toe kan voegen. Als je deze twee afwisselt, zie je dat de persoonsvorm verandert.
Vandaag gooi ik de bal.
Gisteren gooide ik de bal.
Het is in ieder geval belangrijk dat je de om-te-vorm van het werkwoord vindt. Deze geeft je altijd de basis voor de tegenwoordige tijd:
om te gooien = goed Nederlands
om te gooiden = geen goed Nederlands
Als je de om-te-vorm van het werkwoord hebt gevonden, kunnen we daar alle vormen van het werkwoord mee gaan maken. In de tegenwoordige tijd kent een werkwoord drie vormen:
enkelvoud-------ik-------------------------------------gooi
------------------jij, u, hij, zij, het (= een ander)----gooit
meervoud-------wij, jullie, zij-----------------------gooien
De meervoudsvorm is altijd gelijk aan de om-te-vorm. Voor de ik-vorm kunnen we een sommetje maken:
---om-te-vorm
--------------en -
----ik-vorm
-------------t +
een ander-vorm
Bijvoorbeeld:
om te--------gooien
-------------------en -
----ik---------gooi
--------------------t +
----een ander-gooit
Let op:
1) bij werkwoorden met een dubbele medeklinker in het midden, moet je medeklinker + en van de om-te-vorm aftrekken:
om te--------likken
-----------------ken -
----ik--------lik
-----------------t +
--een ander likt
2) bij werkwoorden met een open lettergreep, moet je na het aftrekken van en voor de ik-vorm nog een klinker toevoegen, zodat de lange klank in de om-te-vorm terugkomt in de ik- vorm:
om te-----lopen (lange klank)
--------------en-
-----------lop (korte klank -> niet goed)
-------------o +
--------ik loop
---------------t +
een ander loopt
3) bij werkwoorden waarbij de om-te-vorm -en eindigt op z of v, moet die z of v in de ik- vorm verandert worden in een s respectievelijk f (we schrijven immers nooit een z of v aan het eind van een Nederlands woord):
om te------verven
-----------------en -
-------------verv (mag niet -> verander de v in een f)
--------ik---verf
-----------------t +
een ander verft
De volgende stap is om te kijken in welke tijd de zin staat. Dit heeft namelijk gevolgen voor de spelling van de persoonsvorm. In eerste instantie zullen we ons concentreren op twee mogelijkheden: tegenwoordige tijd (=t.t.) en verleden tijd (=v.t.).
Als een zin in de tegenwoordige tijd staat, betekent het dat het zich nu afspeelt. Als een zin in de verleden tijd staat, betekent het dat het zich in het verleden afspeelde. Bijv:
Ik gooi de bal. = nu
Ik gooide de bal. = in het verleden.
Meestal is de tijd van de zin wel duidelijk. Als je het niet direct ziet, kijk dan of je het woord gisteren of vandaag toe kan voegen. Als je deze twee afwisselt, zie je dat de persoonsvorm verandert.
Vandaag gooi ik de bal.
Gisteren gooide ik de bal.
Het is in ieder geval belangrijk dat je de om-te-vorm van het werkwoord vindt. Deze geeft je altijd de basis voor de tegenwoordige tijd:
om te gooien = goed Nederlands
om te gooiden = geen goed Nederlands
Als je de om-te-vorm van het werkwoord hebt gevonden, kunnen we daar alle vormen van het werkwoord mee gaan maken. In de tegenwoordige tijd kent een werkwoord drie vormen:
enkelvoud-------ik-------------------------------------gooi
------------------jij, u, hij, zij, het (= een ander)----gooit
meervoud-------wij, jullie, zij-----------------------gooien
De meervoudsvorm is altijd gelijk aan de om-te-vorm. Voor de ik-vorm kunnen we een sommetje maken:
---om-te-vorm
--------------en -
----ik-vorm
-------------t +
een ander-vorm
Bijvoorbeeld:
om te--------gooien
-------------------en -
----ik---------gooi
--------------------t +
----een ander-gooit
Let op:
1) bij werkwoorden met een dubbele medeklinker in het midden, moet je medeklinker + en van de om-te-vorm aftrekken:
om te--------likken
-----------------ken -
----ik--------lik
-----------------t +
--een ander likt
2) bij werkwoorden met een open lettergreep, moet je na het aftrekken van en voor de ik-vorm nog een klinker toevoegen, zodat de lange klank in de om-te-vorm terugkomt in de ik- vorm:
om te-----lopen (lange klank)
--------------en-
-----------lop (korte klank -> niet goed)
-------------o +
--------ik loop
---------------t +
een ander loopt
3) bij werkwoorden waarbij de om-te-vorm -en eindigt op z of v, moet die z of v in de ik- vorm verandert worden in een s respectievelijk f (we schrijven immers nooit een z of v aan het eind van een Nederlands woord):
om te------verven
-----------------en -
-------------verv (mag niet -> verander de v in een f)
--------ik---verf
-----------------t +
een ander verft
Abonneren op:
Posts (Atom)
